Canon van Zoetermeer
Een korte omschrijving van de Zoetermeerse geschiedenis aan de hand van pictogrammen.
Als u het Panoramabord in het Buytenpark bezoekt treft u hierop iconen die ieder kenmerkend zijn voor een periode of speciaal stukje van Zoetermeer. Hieronder nemen wij u in een Canon mee door de geschiedenis en 'natuurlijke' ontwikkeling van Zoetermeer:
Rond het jaar 1000: In het veenmoeras “de Wilde Venen” van het Graafschap Holland leven de eerste bewoners van Zoetermeer langs de oevers van de Zwiete en het grote zoetwatermeer “Soetermeer”. Ze leven vooral van de visvangst. Ze ontginnen kleine stukjes veenmoeras voor het verbouwen van graan. Kleine stroompjes in het veenmoeras wateren af naar het “Soetermeer’ en de grote rivieren, zoals de Zwiete die van het “Soetermeer” naar de Oude Rijn stroomt.
Tot het jaar 1200: Steden en dorpen langs de rivieren groeien volop en steeds meer monden moeten worden gevoed. De Graaf van Holland geeft toestemming om “de Wilde Venen” geschikt te maken voor de landbouw (ontginnen), in ruil voor een deel van de oogst. Dijken (kades, wallen of zijdwinden) worden aangelegd en slootjes gegraven om het veen beter te ontwateren. Nieuwe ontginningsgebieden krijgen namen zoals Pijnacker, Stompwijk, Hazerswoude, Zoeterwoude en Zoetermeer (woud en meer aan de Zwiete).
Rond het jaar 1300: Het groeiende Holland heeft niet alleen voedsel nodig maar ook brandstof. Het ingedroogde veen of turf, dat goed brandbaar is, ligt hier voor het oprapen. Waar de turf wordt weggehaald, komt het land onder water te liggen. Meer sloten en vaarten moeten worden gegraven om het water af te voeren naar het Zoetermeerse Meer. De oudste ontginningen liggen ten westen van de Delftse en Leidsewallen en ten noorden van de Voorweg (ter hoogte van de wijken Buytenwegh de Leyens en de plek waar u nu staat). De wallen houden eeuwenlang het water van het hoger gelegen veengebied tegen, zoals dat van Zegwaart.
Rond het jaar 1400: Door de intensieve turfwinning daalt het land tot onder het niveau van de rivieren en de zee. In de winter kunnen de sloten de afwatering niet meer aan en stukken land lopen onder water. Met man en macht hozen de boeren het water van het land om het op tijd droog te krijgen voor de landbouw. Door het uitbreken van de pest sterft een derde van de bevolking en komt ook in de veengebieden slechte landbouwgrond braak te liggen. Gelukkig krijgende Zoetermeerders inkomsten door de verkoop van turf aan de opkomende bierbrouwerijen en de lakennijverheid. Ze verschepen jaarlijks miljoenen turven naar steden als Delft, Gouda, Rotterdam en Leiden.
Rond het jaar 1500: Naarmate er meer turf verdwijnt, wordt het water overvloediger. Met behulp van de wind of paarden scheppen kleine molentjes het water weg. Het blijft vechten tegen het wassende water. Gaandeweg moet de turf worden opgebaggerd: “slagturven”. Tot meters diep wordt de turf uit gaten en sloten omhoog gehaald en op smalle strookjes land (ribben) te drogen gelegd. De ribben worden steeds smaller en het water breekt er steeds vaker door heen. De veenputten veranderen in grote veenmeren. De plek onder uw voeten stond onder water en de omgeving zag eruit als die van de Reeuwijkse en Nieuwkoopse Plassen.
Rond het jaar 1570: Het tweelingdorp Soetermeer-Zegwaard leeft vooral van de turfwinning als de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) uitbreekt. In 1574 trekken de Geuzen ten strijde tegen de Spanjaarden die het strategische Leiden omsingeld hebben. De Geuzen steken de dijken van de Maas en de IJssel door zodat het land overstroomt en ze met hun platte boten naar Leiden kunnen oprukken. Op 17 september bulderen langs de Zoetermeerse Voorweg de hele dag kanonnen, maar de Geuzen worden door de Spanjaarden tegengehouden. Via een omweg, door de Zegwaartseweg heen, weten de Geuzen het Zoetermeerse Meer en de Noord Aa te bereiken. Op 3 oktober wordt Leiden ontzet.
Rond het jaar 1600: Door de turfwinning daalt het land en komt het Zoetermeerse Meer steeds hoger te liggen. Bij storm worden de reepjes grond tussen het meer en het lagere land eromheen steeds verder weggeslagen. In 1614 krijgen drie voorname heren toestemming om het gevaar te keren. Ze leggen een dijk rond het Zoetermeerse Meer. Drie schepradmolens malen het gebied droog. Het is de eerste grote polder van Zuid-Holland. Hierop volgt een lange reeks polder, met een nog langere reeks molens. Veehouderij is een belangrijke bron van inkomsten. De Zwiete en de Weipoortse Vliet worden verbeterd. Zo kunnen de boeren via de Vliet en de Oude Rijn hun boter, kaas en melk in Delft, Leiden, Gouda, Rotterdam en Den Haag kunnen verhandelen.
Tot circa 1800: Turf blijft de meest gebruikte brandstof. Met de komst van molens wordt ook wind een belangrijke energiebron. Bij Wilsveen is nog een oude molengang te zien. De voornaamste energieleverancier van de twintigste eeuw is olie. Verschillende jaknikkers van de NAM pompen olie op in de Meerpolder en omgeving. Eind twintigste eeuw raken de fossiele brandstoffen al bijna uitgeput. Men richt zich op alternatieve energiebronnen zoals wind-, water-, zonne-energie en biogas. In 1990 begint ENECO met het winnen van biogas onder deze heuvels. Na 1995 is de opbrengst zo gering dat het gas wordt afgefakkeld. In 2004 plaatst Siemens de hoogste windturbine van Nederland langs de A12.
Rond het jaar 1970: Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog zoeken overvolle steden als Den Haag en Rotterdam naar ruimte buiten de stadsgrenzen. In 1962 wordt Zoetermeer groeikern van Den Haag. Niet alleen bewoners uit het volle Den Haag vinden hun heil in het frisse nieuwe Zoetermeer, ook het puin van de sloopwijken van Den Haag en het afval van de tuinbouw komen hier terecht. U staat er bovenop, twintig meter boven de weilanden. Afgedekt door een stevige laag rond ontstaat een bijzonder heuvellandschap dat ruimte geeft aan recreatie en natuur-ontwikkeling. Hier kunt u fietsen, mountainbiken, paardrijden, wandelen en genieten van de natuur. Grazers als galloway’s, paarden en schapen houden het terrein open en de natuur gevarieerd.
Het Heden: De groenblauwe slinger van de ecologische hoofdstructuur houdt de groeiende Randstad op afstand en rijgt de diverse natuurgebieden en polders tussen het Groene Hart, Zoetermeer en de Randstad aan elkaar. De afwisseling in open polderland, bos, waterrijk gebied en heuvellandschap zorgt een unieke variatie in natuur en ruimte in de Randstad. De natuur van het Buytenpark trekt allerlei dieren en vogels aan die je wel in het duin, maar niet hier zou verwachten, zoals zeldzame vogels, wezels en hermelijnen.

